Als kind kende ik deze boom al. En deze boom zag mij opgroeien van peuter naar volwassen vrouw. Hij zag meer van mij dan ik me realiseerde, maar dat besefte ik veel later pas.

Mijn jeugdverdriet, mijn kinderspel, de pijn van het opgroeien met vallen en weer opstaan…

Het is niet zo’n heel opvallende boom. Hij staat in een gewone straat in een tuin, in een buurt uit de jaren ‘70. De parkeerplaatsen in de straat zijn net te klein voor de auto’s van nu. De doorzonwoningen met 3 slaapkamers zijn heel normaal. Als je door die straat rijdt, kijk je niet op of om. Tuintjes met heideplanten, grasveldjes, bloeiende afrikaantjes en borderplantjes.

De jonge gezinnetjes van toen zijn inmiddels oude echtparen. De lege plekken die ontstaan door verhuizing of overlijden, worden weer opgevuld door jonge gezinnetjes.

Bijna in het midden staat “mijn” boom. In de winter zie je zijn takken. Mooi symmetrisch is de boom niet. Niet zijn schuld maar van de ‘eigenaren’ die wel eens een tak ondeskundig snoeiden, omdat hij anders zo bij de buren over het pad of over straat hing. De lente geeft een prachtig bloeiende boom.

Als de bloesems gingen vallen, ging ik er altijd onder staan. Dan voelde ik me net een prinsesje, want het sneeuwde bloesems. De zomer zorgde voor bladeren en vaak nestelden er meesjes of andere vogels in. Een merel ging op de hoogste takken zitten en zong zijn lied.

De herfst liet de bladeren vallen en veel mensen in de straat mopperden dan over de rommel die de boom gaf. Maar de boom klaagde nooit over rondzwervende huisvuil dat eerst vaak uit de kapotgescheurde vuilniszakken en later naast de vaak overvolle kliko’s terechtkwam.

 

In onze kinderjaren bonden wij een touw om zijn stam, zodat wij touwtje konden springen of gebruikten hem als aftikplaats als we verstoppetje speelden. En ik knikkerde er graag.

Hij had een glad plekje op de stam waar ik graag overheen wreef.

In mijn pubertijd wilde ik daar graag onder de boom zitten en nadenken over het leven en in mijn dagboek schrijven, maar ik deed dit nooit want vond het ook ‘stom’. Ik besteedde minder tijd aan mijn omgeving en meer aan mijzelf. De boom verdween naar de achtergrond terwijl ik eindelijk de wereld in ging. Andere school - studentenleven - op kamers. Ik keek nog wel naar de boom maar zag hem eigenlijk niet meer....

Vakanties naar zonnige oorden. Je leven inrichten.. vallen en weer opstaan. Soms maanden kwam ik niet bij de boom. En het leven bracht me naar een andere stad, een man, een huwelijk, een huis en een kind, een meisje dat veel op me lijkt. Maar (on) regelmatig liep ik met de wandelwagen langs de boom en onwillekeurig glimlachte ik altijd naar hem, want nu was ik groot en had de zorg voor een klein meisje. Herinneringen aan mijn jeugd verbonden mij met de boom.

Nog altijd waande ik me een prinsesje als ik -inmiddels moeder- door de neerdwarrelende bloesems liep. Ik streelde erover en voelde de zachtheid van de bloemen. Mijn dochter  -nu aan de hand- deelde mijn gevoel en samen waren we koningin en prinsesje.  Als het zonlicht door de roze bloesems schitterde als vloeibaar roze, ging er een geluksgevoel door mij heen. Ik keek naar mijn dochter en deelde even het tijdloze gevoel met haar. 

De jaren vielen weg als ik weer over die gladde plek wreef die nog altijd zo glad was als in mijn herinnering. Ik voelde iedere kerf, voelde iedere nerf weer. Ieder detail stond in mijn geheugen gegrift. Alles was goed. De boom veranderde in de jaargetijden maar bleef altijd hetzelfde.

Met mijn hoofd vol dagelijkse dingen stap ik bij mijn ouders uit om koffie te drinken en hun nieuwtjes aan te horen. Terwijl ik de auto afsluit, zie ik een leeg gat. Het dringt even niet tot mij door, totdat ik een schok krijg. De boom is weg! Ik geloof mijn ogen niet! Ik loop naar de op kniehoogte afgezaagde stam. Hij is weg! Omgezaagd! Hoe kan dat? Waarom? Ongelovig raak ik een scherpe splinter aan. Een paar weken terug had ik hem nog gezien en hij was helemaal niet ziek. Zat goed in ’t blad. Niks mis mee.

Verloren in herinneringen kniel ik bij de boom neer. Zie hem scherp op mijn netvlies zoals ie was in de lente, de zomer, de herfst en in de sneeuw. Wat zaagsel ligt nog in mijn oude knikkerpotje....

Ik kijk naar de afgebroken splinter, de rest van de stam en wat gouden hars, die gestold op de stam ligt. Ik zie de jaarringen en tel ze. De boom werd net zo oud als ik nu ben!

Op dat moment weet ik dat ik iets verloren heb. Het doet me pijn.

’t Gladde plekje op de stam; mijn jeugd en kinderlijke onschuld…. Geen roze bloesems meer. De boom van mijn verleden en waarom?

Waarom is de boom gekapt...?

 

 

 

Eerder verschenen in (en speciaal geschreven voor) Even Bijbomen; de zomeruitgave van 2008

Stichting bomen Over Leven