DE BOOM

Allereerst was het huis er, opgetrokken van slechte bouwstenen maar toch goed gebouwd.  Anno 1933. Toen kwam ik ... een boom. 

Ik werd geplant door een heel klein meisje. Ik voelde dat mijn zaadje aarzelend een worteltje maakte en dat worteltje maakte meer worteltjes. Ik was zo kwetsbaar en teer. Eerst kwam er een groen puntje uit de grond en toen werd het een stengeltje. Mijn leven begon. Ik maakte twee kleine blaadjes en hele grote plannen voor later, als ik groot ben Soms keek het hele kleine meisje naar mij en ze was blij dat ik groeide. Ik kreeg wat water, vaak teveel zodat ik uren nat bleef maar dat overleefde ik. De grond nam vaak alle water weg. Buiten dat meisje zag ik een vader, een moeder, een babybroertje, een hond en een kat. Die moeder maakte een tuin waar ik aan de rand kwam te staan. De familie leefde hun leven en ik groeide, maakte meer bladeren, maakte mijn wortels groter en sterker en ging takken maken. Ik groeide voorspoedig. Soms wat het in de eerste herfst moeilijk maar ik had steun van het huis die de harde wind opving. Bovendien was ik  jong, sterk en buigzaam en dat haalde me door de gure winter heen. 

Ik groeide en keek over het landschap uit. Ik zag een weg in de verte. Aan die weg stond een rijtje huizen waar een groot wit huis, een hotel waar mensen kwamen en gingen, het meest opvallend was. Ik keek er vaak naar. Enkele honderden meters achter mij begon het bos. En tussen de weg en het bos lagen weilanden en grasvelden. 's Morgens, in de lente en de zomer haast nog eerder dan de zon kwamen de konijnen en reeën die graasden en speelden. Vooral de jonge dieren waren leuk om te zien. Ook in mij werd voor de voortplanting gezorgd. Een merelpaar bouwde een nest en vijf eieren werden gelegd. Moeder Merel broeide er enkele weken op en alle vijf kwamen uit. Toen brak een drukke tijd aan voor de ouders. Helaas viel een jong uit het nest. Het leefde nog toen de kat hem vond. De andere vier groeiden voorspoedig op en ik genoot van hun eerste vlieglessen.

Jaren ging voorbij. Ik zag dieren gaan en komen, soms jaloers dat ze zich konden verplaatsen maar ik stond diep geworteld in de grond en in het leven. Ik zag dingen gaan en ik zag dingen komen. Mensen wandelden vaak langs mij, vooral op een zondag, en ik zag de familie groter en ouder worden. De hond ging dood en werd begraven onder mijn bladerendak, waar hij vaak sliep toen hij nog leefde. Ik voel zijn botten nog. 

Mijn wortels raakten de kelder aan van het huis en aan het steen vond ik voedsel die ik doorgaf aan de bladeren. 's Winters verloor ik mijn bladeren en in de lente kreeg ik nieuwe. Echt heel groot werd ik niet, zo'n meter of 5, maar mijn wortels waren goed geworteld en ik had een leefden naast elkaar tot op een dag ik met verwondering de familie al hun huisraad in een busje deed. Het meisje nam nog met tranen op haar wangen afscheid en ik zag ze wegrijden en nooit meer terug komen. De oorlog kwam en ging. Bevrijding werd gevierd. Het huis was en bleef leeg. Een storm maakte enkele ramen kapot en liet de schutting omwaaien. De schutting waaide over de grasland en verdween uit mijn gezichtsveld. De eens zo keurige tuin werd een wildernis waar het onkruid won van de planten die de verstikkingsdood vonden. Een wortel brak door in de kelder van het huis. Leven wint altijd van de dood.  

Seizoenen kwamen en gingen. Ik werd kaal en kreeg weer bladeren. Ik hoorde in de nacht soms stropers die het op de konijnen en de reeën gemunt hadden. Ik hoopte dat ze er goed van af kwamen maar vaak zag ik als ze hun voedsel zochten dat sommige het niet gehaald hadden. Ook vanuit het bos klonk overdag soms het geschreeuw van de bomen boven de zaag uit. Dan bibberde ik over al mijn takken heen en hoopte dat de zachtere hand van Moeder Natuur zich over mij zal ontfermen.  

Toen ik enige jaren naast het lege huis had gewoond kwamen een stel mannen kijken naar het huis en ik kon zien dat er een beslissing werd genomen. Lang vroeg ik me af wat voor een beslissing genomen werd maar ik was het bijna vergeten toen een grote bulldozer en een vrachtwagen naar het huis toe ging en het huis sloopte. Ik wist dat ik toen alleen was, zonder de beschutting van het huis. Ook was ik bang dat ze mij zouden doden. Het was een klein huisje maar ze hadden er enkele dagen voor nodig om het klein te krijgen. Alles werd meegenomen en nu stond ik alleen in de vlakte met achter mij het bos, te ver weg om beschutting te hebben.  

Enkele jaren stond ik alleen in de grasvlakte. Mijn wortels ontwrichtte de kelder. Hoewel ik droge zomers meemaakten, vonden mijn wortels water genoeg om mij erdoor heen te slepen. Bovendien voelde ik me sterk en solide. In de jaren zestig luisterde ik aandachtig naar de langharige mensen die vaak onder mij zaten en die precies wisten te vertellen hoe hun wereld eruit moet zien en ik genoot van hun muziek. Ik zag liefdes opbloeien en sterven. In de jaren zeventig zag ik ze achter kinderwagens lopen op een zondag en hun werden de mensen die ze niet wilden zijn.  

Een boer kwam eens kijken over het land, ook bij mij en ik wist dat hij het land bezat. Eigenlijk is het land van iedereen maar mensen denken dat alles van hun is en zo ook het land die gedeeld werden door mij, het gras, konijnen en reeën, insecten en vogels. Nu was het weer van een boer. De boer inspecteerde elk stukje land en verdween. Na enkele maanden kwam hij terug met een grote ploeg en hij ploegde het land om zodat de grove zandkluiten bloot kwamen te liggen. Ook vlak bij mij werd goed geploegd waarbij enkele wortels van mij werden beschadigd. Ik zag het gras en het onkruid verdwijnen onder het zand. Na een week werd er weer geploegd waarbij bakstenen van het huis soms tevoorschijn kwamen. De ploeg ging vlak langs mij heen. De boer stopte daar en keek goed rond mij op de grond. Ik werd bang. Maar gelukkig klopte de boer op mijn stam en zei. "Jij blijft staan. Je bent gezond en mooi." Woorden kwam ik te kort om mijn geluk te beschrijven. Het geluk en goede voornemens, gericht aan de boer, bleven lang bij mij toen de boer weg was.  

Als een soort wachter sta ik nu jaar in en jaar uit midden in het veld tussen het maïs en de rogge. Iedere jaar verbaas ik me hoe snel de plantjes uit de grond schieten, veel sneller dan ik destijds. Hun leven is kort maar krachtig en goed geordend in nette rijen. Elke keer worden ze gezaaid en geoogst. Ze worden gevoed door de boer en de regen en de zonneschijn en door de lading mest die de boer talrijk gebruikt. Ze maken alleen de goede maanden mee waar de zon veel schijnt. Ik maak de herfst met zijn gure stormbuien mee en de winter die sneeuw brengt. Dan sta ik ook alleen, door iedereen verlaten, zelfs de boer.Soms zie ik mensen lopen de beschutting van het bos opzoekend. Soms zie ik een of twee meisjes met een hond lopen en tot mijn verbazing hoorde ik het ene meisje tegen de ander zeggen dat er eens een huis bij mij gestaan heeft en dat ik veel kon vertellen als ik kon praten. Het andere meisje die een prachtige stem heeft -ik luister er graag naar- vond dat er een verhaal moest worden geschreven. Ik zag het plannetje wortel schieten in dat andere meisje die enkele dagen later bij mij kwam en probeerde naar mij te luisteren om er een verhaal van te maken. Ik heb het verhaal gelezen en vond het goed maar te beknopt. Wil je meer weten of luisteren, luister dan naar mij. Mijn bladeren ruisen altijd en zelfs in de winter praat ik nog, zacht maar  hoorbaar voor iemand die wil luisteren en zijn of haar hart openstelt. En verder ben ik nog jong en sterk. Mijn levenssappen stromen goed. Ik bied bescherming aan mens en dier. En aan de planten. Ik doorsta stormen, onweersbuien, hagel en vorst, sneeuw en aan de ongenadige zon. Ik ben in evenwicht.Ik mijmer over het leven. Ik zie erg veel, meer dan mensen denken en ik zie dingen gaan en komen. Dingen veranderen. Ook ik zal eens gaan maar dan bied ik de grond goede grondstoffen aan en wordt opgenomen door de aarde die mij het leven geschonken heeft. Dan is de cirkel weer rond. Leven en laten leven. Liefde. Alles heeft een begin en alles heeft een einde. Ook dit verhaal.