|
Eindelijk, eindelijk
stapte ik de auto
uit en liep het bos
in. Al weken geleden
bedacht en nu deed
ik het. Lekker het
bos in. In de eerste
paar minuten was ik
nog vol van het
werk; was dit goed?
Had ik dat goed
gedaan? Met mijn
ogen gericht op het
pad voor me zag ik
niets. En eindelijk
stopte ik even,
zuchtte een paar
keer diep en liep
vastberaden naar een
speciale boom.
Ondertussen snoof ik
de speciale bosgeur
op en genoot van de
bomen en het groen.
Kijkend naar de
lucht met de
bladeren en de
takken en een paar
vogels (geloof
mezen, maar het was
te ver om ze te
zien) zaten elkaar
achterna van tak tot
tak, van boom tot
boom.
Onderweg begroette
ik wat bekende bomen
en wat leuke plekjes
en twijfelde toch
even of ik de goede
pad had. Was ie zo
begroeid inmiddels?
Was ik er al zo lang
niet geweest?
En daar stond ie nog
altijd. De boom.
Groots en zijn
takken
wijdverspreid. De
andere bomen stonden
wat meer op een
afstand om "mijn"
boom alle ruimte te
geven.
"Hoi Boom!"
begroette ik hem.
(of was het een
haar? Wat maakt het
uit) "Dat is lang
geleden. Sorry hoor
maar ik was zo druk"
"Och" vond de boom.
"Tijd is een
relatief begrip"
"Nee hoor," vond ik.
"Ieder dag en nacht
heeft 24 uur en dat
is weer
onderverdeeld in
minuten."
"mm," vond de boom.
"mijn tijd is
natuurlijk. Er is
een tijd van groei
en een tijd van
regen en een tijd
van de maan en de
sterren, een tijd
van bloei en van
rust."
Ik dacht na en vond
zijn tijd een stuk
beter van de mijne.
De mijne is
onderverdeeld in
slaap, in werk en
een klein beetje in
leuke vrienden en
familie-uitjes. Maar
eerlijk gezegd stond
het leuke helemaal
achteraan. De Moet!
dingen stonden
vooraan.
"Ja, Dat is waar.
Jou tijd is een stuk
leuker dan mijn
tijd."
"Och" vond de boom.
"Jullie mensen
hebben haast. Neem
de tijd! Natuurlijk
tijd"
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
DE
BOOM
Allereerst was het
huis er, opgetrokken
van slechte
bouwstenen maar toch
goed gebouwd. Anno
1933. Toen kwam ik
... een boom.
Ik werd geplant door
een heel klein
meisje. Ik voelde
dat mijn zaadje
aarzelend een
worteltje maakte en
dat worteltje maakte
meer worteltjes. Ik
was zo kwetsbaar en
teer. Eerst kwam er
een groen puntje uit
de grond en toen
werd het een
stengeltje. Mijn
leven begon. Ik
maakte twee kleine
blaadjes en hele
grote plannen voor
later, als ik groot
ben Soms keek het
hele kleine meisje
naar mij en ze was
blij dat ik groeide.
Ik kreeg wat water,
vaak teveel zodat ik
uren nat bleef maar
dat overleefde ik.
De grond nam vaak
alle water weg.
Buiten dat meisje
zag ik een vader,
een moeder, een
babybroertje, een
hond en een kat. Die
moeder maakte een
tuin waar ik aan de
rand kwam te staan.
De familie leefde
hun leven en ik
groeide, maakte meer
bladeren, maakte
mijn wortels groter
en sterker en ging
takken maken. Ik
groeide voorspoedig.
Soms wat het in de
eerste herfst
moeilijk maar ik had
steun van het huis
die de harde wind
opving. Bovendien
was ik jong, sterk
en buigzaam en dat
haalde me door de
gure winter heen.
Ik groeide en keek
over het landschap
uit. Ik zag een weg
in de verte. Aan die
weg stond een rijtje
huizen waar een
groot wit huis, een
hotel waar mensen
kwamen en gingen,
het meest opvallend
was. Ik keek er vaak
naar. Enkele
honderden meters
achter mij begon het
bos. En tussen de
weg en het bos lagen
weilanden en
grasvelden. 's
Morgens, in de lente
en de zomer haast
nog eerder dan de
zon kwamen de
konijnen en reeën
die graasden en
speelden. Vooral de
jonge dieren waren
leuk om te zien. Ook
in mij werd voor de
voortplanting
gezorgd. Een
merelpaar bouwde een
nest en vijf eieren
werden gelegd.
Moeder Merel broeide
er enkele weken op
en alle vijf kwamen
uit. Toen brak een
drukke tijd aan voor
de ouders. Helaas
viel een jong uit
het nest. Het leefde
nog toen de kat hem
vond. De andere vier
groeiden voorspoedig
op en ik genoot van
hun eerste
vlieglessen.
Jaren ging voorbij.
Ik zag dieren gaan
en komen, soms
jaloers dat ze zich
konden verplaatsen
maar ik stond diep
geworteld in de
grond en in het
leven. Ik zag dingen
gaan en ik zag
dingen komen. Mensen
wandelden vaak langs
mij, vooral op een
zondag, en ik zag de
familie groter en
ouder worden. De
hond ging dood en
werd begraven onder
mijn bladerendak,
waar hij vaak sliep
toen hij nog leefde.
Ik voel zijn botten
nog.
Mijn wortels raakten
de kelder aan van
het huis en aan het
steen vond ik
voedsel die ik
doorgaf aan de
bladeren. 's Winters
verloor ik mijn
bladeren en in de
lente kreeg ik
nieuwe. Echt heel
groot werd ik niet,
zo'n meter of 5,
maar mijn wortels
waren goed geworteld
en ik had een
leefden naast elkaar
tot op een dag ik
met verwondering de
familie al hun
huisraad in een
busje deed. Het
meisje nam nog met
tranen op haar
wangen afscheid en
ik zag ze wegrijden
en nooit meer terug
komen. De oorlog
kwam en ging.
Bevrijding werd
gevierd. Het huis
was en bleef leeg.
Een storm maakte
enkele ramen kapot
en liet de schutting
omwaaien. De
schutting waaide
over de grasland en
verdween uit mijn
gezichtsveld. De
eens zo keurige tuin
werd een wildernis
waar het onkruid won
van de planten die
de verstikkingsdood
vonden. Een wortel
brak door in de
kelder van het huis.
Leven wint altijd
van de dood.
Seizoenen kwamen en
gingen. Ik werd kaal
en kreeg weer
bladeren. Ik hoorde
in de nacht soms
stropers die het op
de konijnen en de
reeën gemunt hadden.
Ik hoopte dat ze er
goed van af kwamen
maar vaak zag ik als
ze hun voedsel
zochten dat sommige
het niet gehaald
hadden. Ook vanuit
het bos klonk
overdag soms het
geschreeuw van de
bomen boven de zaag
uit. Dan bibberde ik
over al mijn takken
heen en hoopte dat
de zachtere hand van
Moeder Natuur zich
over mij zal
ontfermen.
Toen ik enige jaren
naast het lege huis
had gewoond kwamen
een stel mannen
kijken naar het huis
en ik kon zien dat
er een beslissing
werd genomen. Lang
vroeg ik me af wat
voor een beslissing
genomen werd maar ik
was het bijna
vergeten toen een
grote bulldozer en
een vrachtwagen naar
het huis toe ging en
het huis sloopte. Ik
wist dat ik toen
alleen was, zonder
de beschutting van
het huis. Ook was ik
bang dat ze mij
zouden doden. Het
was een klein huisje
maar ze hadden er
enkele dagen voor
nodig om het klein
te krijgen. Alles
werd meegenomen en
nu stond ik alleen
in de vlakte met
achter mij het bos,
te ver weg om
beschutting te
hebben.
Enkele jaren stond
ik alleen in de
grasvlakte. Mijn
wortels ontwrichtte
de kelder. Hoewel ik
droge zomers
meemaakten, vonden
mijn wortels water
genoeg om mij erdoor
heen te slepen.
Bovendien voelde ik
me sterk en solide.
In de jaren zestig
luisterde ik
aandachtig naar de
langharige mensen
die vaak onder mij
zaten en die precies
wisten te vertellen
hoe hun wereld eruit
moet zien en ik
genoot van hun
muziek. Ik zag
liefdes opbloeien en
sterven. In de jaren
zeventig zag ik ze
achter kinderwagens
lopen op een zondag
en hun werden de
mensen die ze
niet wilden zijn.
Een boer kwam eens
kijken over het
land, ook bij mij en
ik wist dat hij het
land bezat.
Eigenlijk is het
land van iedereen
maar mensen denken
dat alles van hun is
en zo ook het land
die gedeeld werden
door mij, het gras,
konijnen en reeën,
insecten en vogels.
Nu was het weer van
een boer. De boer
inspecteerde elk
stukje land en
verdween. Na enkele
maanden kwam hij
terug met een grote
ploeg en hij ploegde
het land om zodat de
grove zandkluiten
bloot kwamen te
liggen. Ook vlak bij
mij werd goed
geploegd waarbij
enkele wortels van
mij
werden beschadigd.
Ik zag het gras en
het onkruid
verdwijnen onder het
zand. Na een week
werd er weer
geploegd waarbij
bakstenen van het
huis soms
tevoorschijn kwamen.
De ploeg ging vlak
langs mij heen. De
boer stopte daar en
keek goed rond mij
op de grond. Ik werd
bang. Maar gelukkig
klopte de boer op
mijn stam en zei.
"Jij blijft staan.
Je bent gezond en
mooi." Woorden kwam
ik te kort om mijn
geluk te
beschrijven. Het
geluk en goede
voornemens, gericht
aan de boer, bleven
lang bij mij toen de
boer weg was.
Als een soort
wachter sta ik nu
jaar in en jaar uit
midden in het veld
tussen het maďs en
de rogge. Iedere
jaar verbaas ik me
hoe snel de plantjes
uit de grond
schieten, veel
sneller dan ik
destijds. Hun leven
is kort maar
krachtig en goed
geordend in nette
rijen. Elke keer
worden ze gezaaid en
geoogst. Ze worden
gevoed door de boer
en de regen en de
zonneschijn en door
de lading mest die
de boer talrijk
gebruikt. Ze maken
alleen de goede
maanden mee waar de
zon veel schijnt. Ik
maak de herfst met
zijn gure stormbuien
mee en de winter die
sneeuw brengt. Dan
sta ik ook alleen,
door iedereen
verlaten, zelfs de
boer.Soms zie ik
mensen lopen de
beschutting van het
bos opzoekend. Soms
zie ik een of twee
meisjes met een hond
lopen en tot mijn
verbazing hoorde ik
het ene meisje tegen
de ander zeggen dat
er eens een huis bij
mij gestaan heeft en
dat ik veel kon
vertellen als ik kon
praten. Het andere
meisje die een
prachtige stem heeft
-ik luister er graag
naar- vond dat er
een verhaal moest
worden geschreven.
Ik zag het plannetje
wortel schieten in
dat andere meisje
die enkele dagen
later bij mij kwam
en probeerde naar
mij te luisteren om
er een verhaal van
te maken. Ik heb het
verhaal gelezen en
vond het goed maar
te beknopt. Wil je
meer weten of
luisteren, luister
dan naar mij. Mijn
bladeren ruisen
altijd en zelfs in
de winter praat ik
nog, zacht maar
hoorbaar voor iemand
die wil luisteren en
zijn of haar hart
openstelt. En verder
ben ik nog jong en
sterk. Mijn
levenssappen stromen
goed. Ik bied
bescherming aan mens
en dier. En aan de
planten. Ik doorsta
stormen,
onweersbuien, hagel
en vorst, sneeuw en
aan de ongenadige
zon. Ik ben in
evenwicht.Ik mijmer
over het leven. Ik
zie erg veel, meer
dan mensen denken en
ik zie dingen gaan
en komen. Dingen
veranderen. Ook ik
zal eens gaan maar
dan bied ik de grond
goede grondstoffen
aan en wordt
opgenomen door de
aarde die mij het
leven geschonken
heeft. Dan is de
cirkel weer rond.
Leven en laten
leven. Liefde. Alles
heeft een begin en
alles heeft een
einde. Ook dit
verhaal.
 
Als kind kende
ik deze boom al.
En deze boom zag
mij opgroeien
van peuter naar
volwassen vrouw.
Hij zag meer van
mij dan ik me
realiseerde,
maar dat besefte
ik veel later
pas.
Mijn
jeugdverdriet,
mijn kinderspel,
de pijn van het
opgroeien met
vallen en weer
opstaan…
Het is niet zo’n
heel opvallende
boom. Hij staat
in een gewone
straat in een
tuin, in een
buurt uit de
jaren ‘70. De
parkeerplaatsen
in de straat
zijn net te
klein voor de
auto’s van nu.
De
doorzonwoningen
met 3
slaapkamers zijn
heel normaal.
Als je door die
straat rijdt,
kijk je niet op
of om. Tuintjes
met
heideplanten,
grasveldjes,
bloeiende
afrikaantjes en
borderplantjes.
De jonge
gezinnetjes van
toen zijn
inmiddels oude
echtparen. De
lege plekken die
ontstaan door
verhuizing of
overlijden,
worden weer
opgevuld door
jonge
gezinnetjes.
Bijna in het
midden staat
“mijn” boom. In
de winter zie je
zijn takken.
Mooi symmetrisch
is de boom niet.
Niet zijn schuld
maar van de
‘eigenaren’ die
wel eens een tak
ondeskundig
snoeiden, omdat
hij anders zo
bij de buren
over het pad of
over straat
hing. De lente
geeft een
prachtig
bloeiende boom.
Als de bloesems
gingen vallen,
ging ik er
altijd onder
staan. Dan
voelde ik me net
een prinsesje,
want het
sneeuwde
bloesems. De
zomer zorgde
voor bladeren en
vaak nestelden
er meesjes of
andere vogels
in. Een merel
ging op de
hoogste takken
zitten en zong
zijn lied.
De
herfst liet de
bladeren vallen
en veel mensen
in de straat
mopperden dan
over de rommel
die de boom gaf.
Maar de boom
klaagde nooit
over
rondzwervende
huisvuil dat
eerst vaak uit
de
kapotgescheurde
vuilniszakken en
later naast de
vaak overvolle
kliko’s
terechtkwam.
In onze
kinderjaren
bonden wij een
touw om zijn
stam, zodat wij
touwtje konden
springen of
gebruikten hem
als aftikplaats
als we
verstoppetje
speelden. En ik
knikkerde er
graag.
Hij had een glad
plekje op de
stam waar ik
graag overheen
wreef.
In mijn
pubertijd wilde
ik daar graag
onder de boom
zitten en
nadenken over
het leven en in
mijn dagboek
schrijven, maar
ik deed dit
nooit want vond
het ook ‘stom’.
Ik besteedde
minder tijd aan
mijn omgeving en
meer aan
mijzelf. De boom
verdween naar de
achtergrond
terwijl ik
eindelijk de
wereld in ging.
Andere school -
studentenleven -
op kamers. Ik
keek nog wel
naar de boom
maar zag hem
eigenlijk niet
meer....
Vakanties naar
zonnige oorden.
Je leven
inrichten..
vallen en weer
opstaan. Soms
maanden kwam ik
niet bij de
boom. En het
leven bracht me
naar een andere
stad, een man,
een huwelijk,
een huis en een
kind, een meisje
dat veel op me
lijkt. Maar (on)
regelmatig liep
ik met de
wandelwagen
langs de boom en
onwillekeurig
glimlachte ik
altijd naar hem,
want nu was ik
groot en had de
zorg voor een
klein meisje.
Herinneringen
aan mijn jeugd
verbonden mij
met de boom.
Nog altijd
waande ik me een
prinsesje als ik
-inmiddels
moeder- door de
neerdwarrelende
bloesems liep.
Ik streelde
erover en voelde
de zachtheid van
de bloemen. Mijn
dochter -nu aan
de hand- deelde
mijn gevoel en
samen waren we
koningin en
prinsesje. Als
het zonlicht
door de roze
bloesems
schitterde als
vloeibaar roze,
ging er een
geluksgevoel
door mij heen.
Ik keek naar
mijn dochter en
deelde even het
tijdloze gevoel
met haar.
De jaren vielen
weg als ik weer
over die gladde
plek wreef die
nog altijd zo
glad was als in
mijn
herinnering. Ik
voelde iedere
kerf, voelde
iedere nerf
weer. Ieder
detail stond in
mijn geheugen
gegrift. Alles
was goed. De
boom veranderde
in de
jaargetijden
maar bleef
altijd
hetzelfde.
Met mijn hoofd
vol dagelijkse
dingen stap ik
bij mijn ouders
uit om koffie te
drinken en hun
nieuwtjes aan te
horen. Terwijl
ik de auto
afsluit, zie ik
een leeg gat.
Het dringt even
niet tot mij
door, totdat ik
een schok krijg.
De boom is weg!
Ik geloof mijn
ogen niet! Ik
loop naar de op
kniehoogte
afgezaagde stam.
Hij is weg!
Omgezaagd! Hoe
kan dat? Waarom?
Ongelovig raak
ik een scherpe
splinter aan.
Een paar weken
terug had ik hem
nog gezien en
hij was helemaal
niet ziek. Zat
goed in ’t blad.
Niks mis mee.
Verloren in
herinneringen
kniel ik bij de
boom neer. Zie
hem scherp op
mijn netvlies
zoals ie was in
de lente, de
zomer, de herfst
en in de sneeuw.
Wat zaagsel ligt
nog in mijn oude
knikkerpotje....
Ik kijk naar de
afgebroken
splinter, de
rest van de stam
en wat gouden
hars, die
gestold op de
stam ligt. Ik
zie de
jaarringen en
tel ze. De boom
werd net zo oud
als ik nu ben!
Op dat moment
weet ik dat ik
iets verloren
heb. Het doet me
pijn.
’t Gladde plekje
op de stam; mijn
jeugd en
kinderlijke
onschuld…. Geen
roze bloesems
meer. De boom
van mijn
verleden en
waarom?
Waarom is de
boom gekapt...?
Eerder
verschenen in
(en speciaal
geschreven voor)
Even Bijbomen;
de zomeruitgave
van 2008
Stichting
bomen Over Leven
|